Onderzoek Overwinteren

Zoekveld

Onderstaand onderzoek is uitgevoerd door studenten van de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Inleiding

                                                           Natuurlijk afkijken.

Overwinteren is een les die de natuur om ons heen allang heeft begrepen. Waar vele dieren een winterslaap houden, zijn er ook dieren die slechts seizoensgebonden migreren. Zo voelt de Amerikaanse monarchvlinder exact aan wanneer het koud wordt en vertrekt deze instinctief naar het zuiden van Mexico, een tocht van meer dan drieduizend mijl op zoek naar warmere temperaturen. Maar ook dichterbij huis hoeft men alleen nog maar omhoog te kijken naar de Hollandse lucht om vogels in een duidelijke pijl richting het zuiden te volgen. Het idee om te gaan overwinteren wordt sinds een aantal jaar afgekeken door nog een andere zwerm dieren; de homo sapiens, oftewel wij mensen.

Wij beschermen onze planten en dieren voor lage temperaturen door deze te verplaatsen, maar onszelf amper tot helemaal niet. Misschien zijn ook wij meer afhankelijk van natuurkrachten dan toegegeven, dit is iets dat wel eens wordt ondergewaardeerd. Zeker nu wij in ons dagelijks leven steeds verder van deze natuur lijken te worden verdreven. Blootstelling aan zonlicht blijkt toch een bepaalde behoefte of geluksfactor die ons behoedt voor stress of winterdepressies. Het merendeel van ons is echter veroordeeld tot een vakantie in de zomerperiode wanneer het ook in de noordelijke landen warmer is. De wens om als God in Frankrijk te leven of om de Spaanse droom door te trekken naar overdag wanneer men met pensioen gaat, schiet wel eens door de gedachten van menig werknemer. Nu wordt de groep die daadwerkelijk voorgoed is vrijgesteld van werk steeds groter en in plaats van een permanente migratie kiest een deel ervoor om te gaan overwinteren, vaak in landen als Spanje en Portugal. Deze nomadische reisstijl is een perfecte methode om van twee wallen te kunnen eten. Aan de ene kant heeft men een opgebouwd verleden in het thuisland in de zomerperiode en anderzijds kan men in de winterperiode genieten van een ander land met als gevolg dat de zon bijna het hele jaar door schijnt.

Gepensioneerden zijn een steeds groter wordende groep en hierdoor worden zij misschien ook meer kenmerkend voor onze samenleving in de nabije toekomst. Diens activiteiten, waaronder overwinteren, zijn hierdoor ook een geschikt gegeven voor bestudering. Binnen het thema van 'transnational activity and belonging' is deze groeiende populatie overwinteraars interessant vanwege het tijdelijke aspect van het overwinteren  zelf. Dit beïnvloedt mogelijk het gevoel van ergens thuishoren, zowel in het thuisland van de overwinteraars (in dit onderzoek betekent dit Nederland) als in het land van overwinteren op een unieke wijze.

Met vele medereisgenoten kunnen overwinteraars voorzichtig worden benaderd als een minderheidscultuur gekenmerkt door een tijdelijk verblijf in een ander land. Het is vermoedelijk een populatie die na vele jaren hier woonachtig te zijn geweest, waarschijnlijk lang hebben geïnvesteerd in het opbouwen van een thuis en hier dan ook visies uit eigen ervaring op nahouden. Overwinteren is geen vakantie, men laat wat achter om ginds ook een dagelijks leven te leiden en misschien wel een (tweede) thuis te creëren. Andersom heeft overwinteren mogelijk invloed op het gevoel van thuishoren in Nederland ondanks dat men hier (geboren en) getogen is. Het is dan boeiend om je af te vragen wat iemand voor de helft van een jaar toch over de landsgrenzen heen leidt. Wij zullen in dit onderzoek daarom afgaan op een wel hele natuurlijke transnationale activiteit.

 

Presentatie van de probleemstelling

 

Het onderwerp ‘overwinteren’ omhelst beide aspecten van het thema ‘belonging and transnational activity’. Debat rondom het thema ‘belonging’ is kersvers binnen de Antropologie. Een van de toonaangevende schrijvers binnen dit debat is Geschiere (2009). Zijn theorie over ‘autochtony’, wat hij definieert als ‘to be born from the soil’, gaat terug naar het meest basale idee van ‘ergens thuishoren’, namelijk de plek waar je oorspronkelijk geboren en getogen bent. Deze autochtoon plaatst hij tegenover de zogenaamde allochtoon; iemand die niet op een bepaalde plaats geboren en getogen is, maar hier wel woonachtig is. Ahmed (1999) brengt theorie over ‘belonging’ in de praktijk in haar studie over migratie. Zij stelt zichzelf de vraag wat een thuis precies is, en hoe kom je daar? Theorieën van deze schrijvers zullen in dit onderzoek nog vaak centraal staan.

            Door de mobile aard van overwinteren schaart deze zichzelf ook meteen onder het thema ‘transnational activity’. Overwinteraars verplaatsen zichzelf over grenzen. Dit maakt het al een transnationale activiteit op zichzelf. Echter, door het langdurige verblijf van de overwinteraar in een ander land dan het thuisland vindt er vermoedelijk nog meer transnationale activiteit plaats dan enkel grenzen overschrijden. Hierbij kan je denken aan consumptie- of sociaal gedrag. In de loop van dit onderzoek hopen wij deze theorie te kunnen bevestigen en uitbreiden.

            Ons onderzoek stelt vragen over het thema ‘belonging and transnational activity’ en haar verbanden met overwinteren en de overwinteraar. Aangezien er niet eerder onderzoeken zijn verschenen met betrekking tot dit onderwerp spreken wij van een kennisprobleem en daarmee over het verrichten van een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Kort samengevat trachten wij te achterhalen wat de motivatie is van overwinteraars om elke winter twee tot drieënhalve maand van het jaar te migreren en in hoeverre dit effect heeft op hun gevoel van belonging in het thuisland, al dan niet in het land van overwinteren.
            Impliciet geeft een vraag naar de motivatie van de informant al een zetje in de richting van het onderwerp ‘belonging’. Men gaat waarschijnlijk niet meermalen overwinteren als zij zich ergens helemaal niet thuis voelen. Maar naast deze bijkomstigheid is de motivatie vooral van belang voor een profiel van de overwinteraar, die veelal uiteenlopende redenen zal hebben voor zijn/haar overwinterpraktijken.

            Belonging (kort vertaald in ‘een gevoel van ergens thuis horen’) in het thuisland van de overwinteraar kan mogelijk worden aangetast door de overwinterervaring. Misschien voelt de informant zich wel een stuk meer thuis in het land van overwinteren en gaat hij in het thuisland dingen missen, maar misschien werkt dit wel andersom. Dan maakt de overwinterervaring belonging in het thuisland juist sterker. En misschien blijft een effect wel uit en doet overwinteren niks met de informant, hoe onwaarschijnlijk dit ook mag klinken.
            Door het gevoel van belonging in verband te brengen met de motivatie kun je vaststellen of er een dader was voorafgaand aan de daad, of niet. Dat wil zeggen, had het gevoel van belonging invloed op de initiële motivatie om te overwinteren? En wat er is veranderd sinds de initiële motivatie in samenspel met latere ervaringen. Wij hopen te ontdekken of er in de motivatie van de overwinteraar iets verandert door het gevoel van belonging.
            De hoofdvraag van ons onderzoek, ‘Wat is de motivatie van tijdelijke migranten die de wintermaanden (twee tot drieënhalve maand) in een ander land doorbrengen dan hun thuisland/ woonplek en hoe heeft dit effect op hun gevoel van belonging?’, vat de kern van het onderzoek, zoals wij hem hierboven uiteengezet hebben, samen. Daarna hebben we hem opgedeeld in drie deelvragen, die tevens ook medebepalend zullen worden voor onze interviewguide. De eerste deelvraag,  ‘Waarom overwinteren de ondervraagde informanten?’, hangt nauw samen met de motivatie. De tweede deelvraag, ‘Wat is het gevoel van belonging in het thuisland?’, behoeft in het licht van voorgaande uitleg niet verder te worden toegelicht, net als de derde deelvraag; ‘Wat is het gevoel van belonging in het land van overwinteren?’.

            Op deze vragen zullen wij proberen antwoord te krijgen door middel van het afnemen van interviews. Door het explorerende karakter van dit onderzoek moeten er eerst nog een aantal basale termen worden vastgesteld, waaronder de term overwinteren zelf. Hiervoor zijn we deels afhankelijk kennis en kunde van onze informanten. Zij zullen ons helpen bij het definiëren en afbakenen van ons onderzoek.

            Wij zullen zes informanten vragen hun overwinterverhalen met ons te delen aan de hand van een van te voren vastgestelde interviewguide. De informanten mogen van alle leeftijden zijn, mits ze elk jaar minimaal twee en maximaal drieënhalve maanden in het buitenland verblijven, uiteraard ten tijde van de winter. Het geslacht van de informant is niet van belang, al zullen we wel proberen van beide seksen een evenredig aantal informanten te benaderen.

 

Conclusie

 

Na de analyse in de vorm van drie kernthema’s is het nu tijd om de thema’s weer aan elkaar te koppelen en weer terug te gaan naar onze hoofdvraag: 'Wat is de motivatie van tijdelijke migranten die de wintermaanden in een ander land doorbrengen dan hun thuisland/ woonplek en hoe heeft dit effect op hun gevoel van belonging?'

            Bij het eerste aspect van de hoofdvraag, de motieven, komt het lekkere, warme weer naar voren als het meest belangrijke motief om te overwinteren. Daarbij komen voordelen in het overwinterland als een andere cultuur en andere mensen, maar het klimaat staat toch wel met stipt op één. De informanten zijn bijna allemaal met pensioen en gaan overwinteren voor de rust en het lekkere weer. Ze komen zo wel heel dichtbij het leven als God in Frankrijk. Als we kijken naar de motieven en we halen daar de theorie over kosmopolitisme bij, kunnen we concluderen dat overwinteraars op de eerste plaats toerist zijn. Het vele reizen wordt door Salazar (2010) wel genoemd als een voorwaarde voor een kosmopoliet. Overwinteraars geven ook wel aan veel te leren van de ervaringen met andere culturen door het overwinteren. Dit gebeurt echter niet met opzet. Op het punt van het vele reizen, zouden overwinteraars kosmopolieten genoemd kunnen worden. Als we echter kijken naar stereotypen waar Salazar (2010) het over heeft, komen we tot een andere conclusie. Het contact dat er is met The Other is vrij oppervlakkig. Toch hebben de meeste overwinteraars voorkeur voor een bepaald land of een bepaalde plek. Dit is meestal gebaseerd op een gevoel en niet zozeer op feiten. Deze stereotypen zorgen er voor dat overwinteraars zich op de ene plek wel thuis voelen en op de andere niet. Overwinteraars staan wel degelijk open voor contact met The Other (Hannerz 1990), maar dit contact blijft oppervlakkig en in dit contact zijn te eerder op zoek naar overeenkomsten dan naar verschillen (Werbner 2008). Gekeken naar de motieven, zijn overwinteraars dus voornamelijk toeristen. Toch vallen ze ook niet geheel onder deze benaming, aangezien ze aangeven zich op heel veel plekken thuis te kunnen voelen. Hier zit ook een zeker kosmopolitisch tintje aan. Je zou kunnen zeggen dat overwinteraars in een grijs gebied vallen.

De invloed die het overwinteren op het gevoel van belonging heeft, is het tweede deel van de hoofdvraag. Dat de overwinterervaring mensen verandert en ook een gevoel van thuis verandert staat hiermee buiten kijf. De aard van de verandering verschilt onder de informanten. De een vindt de overwinterervaring af doen aan een gevoel van thuis horen in Nederland, een ander ziet het als een toevoeging en creëert er een extra thuis bij. Als we kijken naar de theorie van Ahmed (1999, 341) over ‘thuis’ kunnen we een aantal interessante uitspraken doen. Als we kijken naar ‘thuis’ als de plek waar je vandaan komt verandert er aan het thuisgevoel van de informanten vrijwel niets. Ze zien Nederland nog steeds als het land waar de vandaan komen en voelen zich ook op en top Nederlander; born from the soil (Geschiere 2009). Dit heeft met de taal en de instelling van de mensen te maken. Ook het feit dat de familie van de informanten in Nederland woont is belangrijk om Nederland als thuis te zien. Een enkele informant wijkt af, aangezien deze weinig tot geen verbintenis met Nederland voelt. Als we kijken naar ‘thuis’ als de ervaring, zijn er veel verschillen. Wat overeenkomt is dat het overwinteren in ieder geval wel iets verandert aan het gevoel van belonging. Deze veranderingen houden in dat er iets meegenomen wordt uit het land van overwinteren. Vaak wordt het rustiger aan willen doen genoemd. Een informant noemde als invloed anders om te gaan met buitenlanden, aangezien de informant zelf de ervaring had gehad buitenlander te zijn. Kijkend naar belonging in Nederland komen er trekjes van kosmopolitisme en migratie bij, aangezien overwinteraars leren (alhoewel misschien onbewust) van de overwinterervaringen (Werbner 2008, 2). Toch blijft Nederland het thuisland.

            Het overwinteren verandert ook het gevoel van belonging in het overwinterland. In dat land was namelijk eerder geen gevoel van belonging en dat komt er bij alle informanten wel. Als het niet een verbintenis met een plek is, dan wel met de vrijheid. Het gevoel van belonging wordt eigenlijk verbreed en niet minder op de ene plek. Het creëren van een thuis in het overwinterland heeft echter weinig te maken met kosmopolitisme en des te meer met toerisme en het idee weer terug te keren naar Nederland. Om een gevoel van belonging te creëren worden aan de ene kant materiële dingen meegenomen vanuit Nederland en aan de andere kant zoeken Nederlandse overwinteraars elkaar ook op in het land van overwinteren. Verder bestaat het gevoel van belonging in het overwinterland vooral uit vrijheid en het lekkere weer, waardoor er veel activiteiten ondernomen kunnen worden. Voor eigenlijk alle informanten geldt dat thuis zijn een gevoel is dat je als een soort deken over je heen trekt en overal kan ervaren. Thuis zijn is naast een paar spullen vooral een emotie in plaats van een plaatsgebonden iets. Dat staat haaks op de theorie van een gewortelde identiteit en diens gevolgen op een plaatsgebonden gevoel van belonging (Malkki 1997). Toch noemen de informanten bijna allemaal Nederland als hun ‘echte thuis’. Dit vanwege de taal en kinderen en kleinkinderen. Verder trekken overwinteraars in het land van overwinteren naar andere landgenoten toe. Dit is volgens Ahmed (1999) onderdeel van het creëren van een thuis. Ze zegt dat je als gezamenlijke vreemdelingen een soort eigen gemeenschap vormt (336). Je doet er nieuwe ervaringen op, die samen de bouwstenen vormen voor het nieuwe (t)huis dat je bouwt. Toch wordt dit huis nooit helemaal afgebouwd, aangezien de overwinteraars Nederland nog altijd zien als ‘home sweet home’.

            Wat ons onderzoek laat zien is dat overwinteraars een bijzondere groep mensen is. Ze vallen immers niet helemaal onder migranten, aangezien ze niet verhuizen, maar tijdelijk ergens anders wonen. Verder zijn ze ook niet slechts toeristen; er zit toch een zeker thuisgevoel bij en het leren van The Other speelt ook zeker een rol. Tot slot kun je ook nog twisten of overwinteraars in een zekere mate kosmopolieten zijn. Wat wij ervan zeggen is dat overwinteraars een grijs gebied vormen tussen deze drie termen. Dit laat genoeg ruimte tot nieuw onderzoek onder deze groep. Zoals algemeen bekend komt er ook een grote stroom vergrijzing aan, wat kan leiden tot een toename van het aantal overwinteraars en dus ook tot een toename van het belang van onderzoek naar deze groep. Noem het een voorstudie naar het Zwitserleven gevoel; de zaken alvast goed geregeld hebben en daar later onbezorgd van kunnen genieten.